Column: L.H. Wiener – Kaddish voor een buurt (2)
Kaddish voor een buurt (2)
‘Kaddish zeggen’ is een joods begrip voor het uitspreken van een plechtig gebed bij de dood van een overleden geliefde of familielid. En daarom is Kaddish voor een buurt een verkeerde, om niet te zeggen verwerpelijke, titel voor het onlangs door Nico Keuning (uitgeverij Reservaat) gepubliceerde boekje, waarin op wel zeer kokette wijze schrijver Heere Heeresma en radioman Anton de Goede, middels een ‘hilarische correspondentie’ en niet ter zake doende foto’s voornamelijk zichzelf ten tonele voeren, zoals ik in mijn kolom van vorige week (26-01) heb gesignaleerd.
Ik ken uitgever Nico Keuning en radioman Anton de Goede al heel lang en hun beider liefde voor de literatuur staat voor mij buiten kijf en ook geloof ik zonder meer dat Keuning heel goede contacten onderhoudt met het Joods Historisch Museum, zoals hij mij onlangs berichtte, maar het boekje met deze titel en in deze vorm is niet ‘koosjer’, zo betoogde ik.
Maar lo, and behold!
Daar meldde zich op Facebook een trawant, een bijgoochem, in de gedaante van niemand minder dan Hein Aalders, de meest gevreesde polemist van het gehele kabouterdorp. Een boezemvriend van Anton de Goede en oud-redacteur bij uitgeverij Bas Lubberhuizen. En met gevaar voor eigen reputatie sprong Hein pardoes voor Anton en Nico in het zwarte gat.
Deze goed bedoelde exercitie neem ik hier integraal over, versneden in cursief gezette passages, gefileerd in feite:
Het lijkt erop dat Wiener veel van Heeresma’s ijdelheid teruglas in de nu op schrift gestelde ‘Monologen uit het bijna toen’.
Daar lijkt het inderdaad sterk op.
Dat kan, maar zijn depreciatie van het boekje staat zelf weer vol fouten; fouten die hij Heeresma verwijt.
Pardon?
Hij vraagt zich af waar Monne, Roza, Rozèlla Raskower, Kiki Epstrom en Judith uit ‘Een jongen uit Plan Zuid’ zijn gebleven.
Ja, waar zijn deze vijf kinderen gebleven? Ze zijn gedeporteerd, natuurlijk, en niet zo zuinig ook. Maar waarom hebben zij dan geen plaats gekregen in dit boekje, dat als titel draagt: Kaddish voor een buurt? Ik mis die kinderen.
Maar W. moet later toch vermelden dat HH stilstaat bij Lonneke Sternheim (in werkelijkheid Feigenbaum) en zijn vriendje Eli(as de Haan).
Ja, die staan er wèl in, met of zonder de verhaspelde achternaam Fajgenbaum. Twee van de zeven! Dat moet ik niet toch vermelden, alsof ik het liever niet zou doen, dat doe ik omdat ze de enige twee zijn die nog genoemd worden. Vijf oorlogsslachtoffers minder dan in Een jongen uit Plan Zuid, waarin Heeresma’s parmantige toontje gelukkig geheel ontbreekt.
Ik wijs W. er nog op dat HH ook nog geruime tijd stilstaat bij de familie Kok in de Olympiastraat en bij Johan Hiegentlich, die bij de familie H. zat ondergedoken (p.107-109) – in de transcriptie jammer genoeg verbasterd tot Johan Lebentlich.
Dokter Kok en zijn gezin, jazeker, ik heb het boekje gelezen (pp. 64-66) en Johan Benjamin Hiegentlich, de moedige onderduiker, twee schrijnende joodse gevallen. Zij krijgen samen 6 pagina’s. En met Lonneke en Eli erbij haal je er misschien wel 10. Voor mijn part 14. Ik had geen zin meer om het precies na te tellen. Op een boekje van 114 pagina’s!
[Sorry, Hiegentlich, hierbij dan alsnog, maar het noemen van jouw naam en die van dokter Kok en zijn gezin, rechtvaardigt de titel Kaddish voor een buurt nog nergens. Het blijft een door handelsgeest ingegeven lokkertje.]
Dat HH in zijn romans de werkelijke namen veranderd heeft is zijn goed recht.
Wie spreekt dat tegen dan? Overigens zijn de twee deeltjes van Een jongen uit Plan Zuid geen romans, maar autobiografische geschriften.
De soldaten op het Valeriusplein lopen niet in de sneeuw maar in het zomerse zonlicht.
Welja, het zomerse zonlicht! Ik zie het nu ook! Een heel toepasselijk plaatje, vier soldaatjes in het zonnetje! Ze slenteren wat rond op het Valeriusplein, de handen op de rug. Geen vuiltje aan de lucht. Een goedgekozen foto voor dit boekje, voorwaar. Maar wel wat erg overbelicht, waardoor zowel de straat als de stoep egaal wit zijn, zo sneeuwwit dat men de trottoirbanden niet eens kan onderscheiden.
Vijf van de zes afbeeldingen hebben betrekking op het onderwerp.
Het zijn er zeven, die absoluut betrekking hebben op het onderwerp, maar niet op de titel.
En de zesde illustreert de langdurige briefwisseling die De Goede met HH heeft gevoerd (zie de zeer lezenswaardige uitgave ‘Vlieg vogel, vlieg met me mee tralala’, waar De Goede te bescheiden is om die te vermelden).
Anton is inderdaad heel bescheiden en houdt niet van doublures, vandaar die ruime keuze uit bovengenoemde briefwisseling. Tralala.
‘Kaddish voor een buurt’ is geen door commerciële redenen ingegeven uitgave (dat is een infaam verwijt) maar een literair-historische: het is de onderlegger van ‘Een jongen uit Plan Zuid’.
Kaddish voor een buurt is wel degelijk een door commerciële redenen ingegeven titel, commercieel in de betekenis van ‘Geschikt voor de handel’ (Van Dale p. 656 betekenis 4). Niet per se ‘Gericht op financieel succes’ (id. betekenis 3) al zal Nico Keuning niet spugen in het winstpotje, indien zich dat vullen zou en waaraan ik nu, geheel belangeloos, mijn bijdrage lever. De tweede druk is al verschenen, of staat op stapel, heb ik begrepen.
Dankzij deze gesprekken vloog de spreekwoordelijke stop van de fles en kon HH eindelijk zijn 2-delige herinneringen aan zijn jeugd in oorlogstijd opschrijven.
Jazeker, die radiomonologen waren een bruikbare opmaat naar Heeresma’s later op schrift gestelde oorlogsherinneringen, waarvoor hijzelf de op zich gerechtvaardigde titel Kaddish voor een buurt afwees!
De keuze van de titel is gedurfd, maar gezien de verantwoording door De Goede volstrekt integer en voor iedereen die de geschiedenis van dit spookboek kent begrijpelijk.
Anton de Goede en Nico Keuning hadden nooit met de ‘mythische titel’ van het spookboek Kaddish voor een buurt de boer op horen te gaan, alleen al niet omdat Heeresma die titel zelf had afgekeurd en de voorkeur gaf aan het ingehouden Een jongen uit Plan Zuid.
Een uur na het publiceren van zijn polemische vriendendienst krijgt Aalders nog een oprisping.
Vreemd, de bezwaren van Wiener richten zich tegen de auteur/samensteller van genoemd boekje, Anton de Goede.
Ja, heel vreemd deze opmerking. Uitgever Nico Keuning wordt dus nergens genoemd? Misschien is de heer Aalders gebaat bij een sterkere leesbril?
De enige zijdelings opgemerkte bezwaren jegens HH (sr.) zijn diens ijdelheid (opnieuw in dit boekje tentoongespreid)
Zo is het maar net! Het vanitas vincit omnia is in deze uitgave weer niet van de lucht.
en diens gebrekkige geheugen.
Heeresma noemt zijn geheugen zelf ‘een stalen pot’, maar het is een vergiet.
Wat de ijdelheid van LHW zelf betreft: onder zijn kritiek zien we hem, gelijk Hemingway, met een geweer in de aanslag.
Wat is daar ijdel aan, heer Aalders?
It’s a rifle that is aimed at you!
And the likes of you!
L.H. Wiener
Er laat zich veel zeggen op Wieners boze stuk.
Het is trouwens zeer in hem te prijzen dat hij Kaddish voor een buurt\’ serieus neemt. Dit bedoel ik niet sarcastisch of ironisch.
Hoe herdenken wij de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog? Op heel verschillende manieren uiteraard, het belangrijkste lijkt mij DAT het gebeurt.
De zeer eigen manier van uitdrukken van Heere Heeresma, zowel in zijn interviews als in zijn boeken, hebben voor velen betekenis gehad. En nog! Deze unieke toon, die eigen wereld, het is aan Wiener niet besteed. Dat kan. Verschillende golflengtes denk ik. Soit.
Maar is dat reden om zo boos te worden?
Ik vraag Wiener één plek aan te wijzen in Kaddish voor een Buurt waar respectloos wordt omgegaan met de nagedachtenis van vermoorde Joden uit de Olympiabuurt in Amsterdam. Dat niet alle namen erin voorkomen, nee, niet alle namen komen erin voor…. en dus?
Vast staat dat Heere Heeresma decennia lang worstelde met zijn voornemen om zijn oorlogsherinneringen te verwoorden. Een biograaf zou ooit nog eens kunnen bestuderen hoe de ervaringen uit Heeresma\’s vroege jeugd hebben doorgewerkt in zijn werk. Nico Keuning van uitgeverij Reservaat nam in 2012 het initiatief om het besproken boekje uit te geven. Uit de briefwisseling tussen Heeresma en mij voorafgaand aan de radiouitzendingen die er ook in staat blijkt dat van de radio-uitzendingen Heeresma zélf zeer graag een boekje zou hebben gezien. In die brieven gaat het bijvoorbeeld over Wim Hazeu die het ongetwijfeld graag zou hebben gebracht bij uitgeverij De Prom ware het niet dat hij daarvoor net te vroeg afscheid nam als uitgever.
Wat niet iedereen weet is dat in de VPRO-gids destijds is vastgesteld dat Heeresma al sinds de jaren vijftig \’Kaddish voor een buurt\’ aankondigde terwijl het nooit verscheen \’maar dat het er nu dan toch eindelijk was in de vorm van vier radio-uitzendingen\’. Heeresma heeft daar destijds nooit tegen geprotesteerd.
Ik kan niet anders dan blij zijn met het inzicht van Keuning dat een papieren versie van de transcriptie van de radiouitzendingen van tien jaar geleden zelfs in deze barre uitgeverstijden levensvatbaar is. Er waren inmiddels prachtige kritieken van Arjan Peters (Volkskrant) , Arie Storm (Het Parool & TROS Nieuws Show) en Wim Brands (VPRO-gids), en ik zag – op die van Wiener na – niet één negatieve.
In \’een jongen uit plan Zuid \’38-\’43\’ noteert Heere Heeresma: \”In de Babylonische talmoed wordt opgemerkt dat de mens twee keer sterft. Eerst gaat hij dood en dan raakt hij vergeten. Uit verzet werd dit boek geschreven.\” Wiener zou alleen al daarom ook Kaddish voor een buurt moeten toejuichen lijkt me. En als hij graag boos wordt zou hij de Arbeiderspers er boos op kunnen wijzen dat het zonde is dat \’een jongen uit plan Zuid\’ (deel 1 zowel als 2) al jaren niet meer leverbaar is.
Op details van Wieners boze stukje ga ik verder niet in. Hoewel één opmerking van hem wil ik hier graag weerleggen. Wiener schrijft: \”Anton is inderdaad heel bescheiden en houdt niet van doublures, vandaar die ruime keuze uit bovengenoemde briefwisseling.\” Wiener denkt kortom dat de brieven zoals opgenomen in \’Kaddish voor een buurt\’ eerder al werden verzameld in het brievenboek \’Vlieg vogel, vlieg met me mee tralala\’ (Uitgeverij De Prom, 2000). Hij signaleert kortom een doublure. Kletskoek, want de brieven uit \’Kaddish voor een buurt\’ zijn allemaal van na 2000. Niks doublures dus.
Ik zal heus niet beweren dat ik inderdaad bescheiden ben (zoals Hein Aalders meende in al zijn vriendelijkheid), maar dat hieruit zou blijken dat ik het tegendeel ben, klopt dus niet.
En dan: Is Hein Aalders mijn boezemvriend? Dat mocht ik willen! De waarheid is, ik héb geen boezemvriend. Hein Aalders ken ik wel al jaren, als een uitstekend redacteur van het tijdschrift De Parelduiker bijvoorbeeld, als een prima lezer, en inderdaad, als iemand die wél gevoel heeft voor \’de unieke toon, die eigen wereld,…\’ van Heere Heeresma.
Voor wie nieuwsgierig is geworden naar het boekje waarover het hier allemaal gaat, zie http://www.uitgeverijreservaat.nl
Op Facebook kwam deze reactie van Hein Aalders:
Hein Aalders Wat een grappige reactie van Wiener. \’Bijgoochem\’ noemt hij mij, maar hij is er zelf een. Ik zou hebben geschreven: \’Hij [Wiener] vraagt zich af waar Monne, Roza, Rozèlla Raskower, Kiki Epstrom en Judith uit \”Een jongen uit Plan Zuid\” zijn gebleven.\’ Waarop Wiener snedig kan antwoorden: \’Ze zijn gedeporteerd, natuurlijk, en niet zo zuinig ook.\’ Maar het was Wiener zelf die die vraag stelde in zijn eerste column en die ik aanhaalde. Dat is dus een antwoord op zijn eigen vraag. En ook de rest van het fileerwerk levert maar weinig graten op. De belangrijkste graat is de keuze van de titel van het boekje, Kaddish voor een buurt. Dat hadden de Goede en Keuning niet mogen doen, niet \’koosjer\’. Omdat HH zelf de titel had afgewezen voor de radio-uitzendingen en omdat de radiogesprekken nauwelijks over de joodse vermoorde buurtgenoten zouden gaan. Daar kan je over twisten, ik noemde argumenten vóór, Wiener tegen. Maar wat Wiener niet noemt maar hem mogelijk ook steekt is het gebruik van de titel door een goj als HH (mogelijk zag HH er ook om die reden uiteindelijk van af) en nu dus door De Goede en Keuning. Dat lijkt me een plausibel bezwaar. Punt voor Wiener dus. Maar nu graag dat geweer gewoon weer in de kast zetten.
Mijn aanname dat de briefwisseling tussen Anton de Goede en Heere Heeresma in de uitgave \’Kaddish voor een buurt\’ een doublure betreft, valt redelijk aannemelijk te maken bij lezing van een passage uit een aanhankelijkheidsbetuiging van de bijgoochem Aalders, waar hij stelt dat een der afbeeldingen in het boekje de langdurige briefwisseling illustreert die De Goede met Heeresma heeft gevoerd.
Goed, geen doublure dus, des te beter, want deze epistels zijn gesteld in een toontje waartegen het maagzuur remmend medicament omeprazol geen verlichting biedt.
Maar in zijn weerwoord is dit werkelijk het enige punt dat De Goede inhoudelijk ter verdediging aanhaalt en hij benadrukt dit feit liefst driemaal.
‘Op details van Wieners boze stukje ga ik verder niet in’, stelt hij droogjes en dat trieste vertoon van onmacht valt goed te begrijpen.
L.H. Wiener
In de verschillende punten van deze discussie meng ik mij niet. Heel basaal stel ik: waar Heere Heeresma bij leven de titel Kaddish voor een buurt afwijst omdat hij is verworden tot cliché, daar ga je niet na zijn dood juist die titel van stal halen voor een boekje dat een heel andere geest ademt dan zijn publicatie. Daarbij verbleekt zelfs het argument dat elke aandacht voor het werk van Heere Heeresma welkom is.
Henk Reurslag